Faszienforschung
Fascia & zelfmassage7 min lees tijd

Fascia-onderzoek: wat de wetenschap weet over fascia

gepubliceerd door Prof. dr. Robert Schleip in Fascia & zelfmassage op 14-04-2021 - bijgewerkt op 23-06-2026
Blackroll Expertenvideo Robert Schleip 00 00 11 17 Standbild001
Prof. dr. Robert Schleip

01. Wanneer werden fascia ontdekt – De geschiedenis van fascia

Het eerste artikel dat in de medische database PubMed werd gepubliceerd en waarin de term fascia voorkwam, dateert uit het jaar 1814. Al toen werd geschreven dat fascia spieren van elkaar scheiden en beweging ondersteunen (Mackesy 1814). Tot op de dag van vandaag is er niets veranderd aan deze visie, hoewel er talloze studies over fascia zijn bijgekomen.

Door de opgedane kennis is het begrip van fasciën echter aanzienlijk verbreed en daardoor is de definitie van fasciën meerdere malen gewijzigd. Dit geldt vooral voor de afgelopen vier decennia. Naarmate het onderzoek naar fasciën toeneemt, zal de beschrijving van fasciën ook in de toekomst voortdurend veranderen. (Adstrum en Nicholson 2019)

In een recente update van de fasciële nomenclatuur luidt de definitie van fascia, enigszins ingekort en vrij vertaald: „Als fascia kan elk weefsel worden aangeduid dat op mechanische prikkels kan reageren. Het driedimensionale fascia-continuüm ontstaat uit een perfecte synergie tussen verschillende weefsels met al hun vaste stoffen en vloeistoffen, die het gehele lichaam doordringen, onderverdelen, verbinden en voeden – van de oppervlakkige huidlaag tot diep in het bot.

Hieronder vallen bijvoorbeeld spier- en zenuwomhulsels, gewrichtskapsels, banden, pezen en bloed- en lymfevaten met de daarin circulerende vloeistoffen“ (Stecco, Carla et al., Update on Fascial Nomenclature, Journal of Bodywork and Movement Therapies, Volume 22, Issue 2, 354).

Het diepgaande onderzoek naar fasciën is inmiddels al meer dan drie decennia aan de gang. Hier geven we je een overzicht van de belangrijkste wetenschappelijke bevindingen en studies over fasciën.

02. Anatomie van de fascia

De drie fasciale lagen

Fascia bestaan uit drie verschillende lagen: de oppervlakkige, diepe en pariëtale/viscerale laag (Gatt et al. 2020).

De oppervlakkige fascielaag bevat veel elastische vezels, waardoor deze vrij beweeglijk is. De diepe laag daarentegen is, door het hoge aandeel aan collageenvezels, aanzienlijk steviger en vertoont een zekere permanente spanning.

Deze laag is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het doorgeven van krachten die door spieren worden gegenereerd naar aangrenzende gebieden. Binnen deze gebieden worden onder andere proprioceptoren gestimuleerd, waarvan de informatie belangrijk is voor de lichaamswaarneming en -beweging (Klingler et al. 2014).

Fascielaag

Contractiliteit van de fascia

Dat de fascia uitsluitend een passieve rol spelen bij de krachtoverbrenging, is de afgelopen jaren door verschillende medische studies ondubbelzinnig weerlegd. Fascia bevatten contractiele elementen, zogenaamde myofibroblasten, die bijdragen aan de krachtontwikkeling en deze kunnen moduleren.

Bovendien dragen ze hierdoor bij aan een zekere mechanosensorische fijnafstemming, waardoor informatie uit het lichaam gevoeliger wordt verwerkt. In tegenstelling tot spieren trekken fasciën echter autonoom samen (bijvoorbeeld net als de hartspier). Dit betekent dat de samentrekking niet willekeurig is.

Door hun contractievermogen kunnen fascia's spontaan hun stijfheid reguleren en zo gedurende een periode van minuten tot uren actief bijdragen aan gewrichtsstabilisatie en dynamische bewegingen. Als er een disfunctie optreedt in dit regulerende mechanisme, neemt de myofasciale spanning toe of af en/of ontstaat er een verstoring van de neuromusculaire coördinatie.

Beide kunnen bijdragen aan het ontstaan van verschillende musculoskeletale klachten en pijnsyndromen. Er wordt verondersteld dat een toename van de spanning gedurende dagen tot maanden zelfs kan leiden tot ernstige weefselcontracturen (Schleip en Klingler 2019; Klingler et al. 2014).

03. Fasciemodellen

Het inzicht in en de verklaring van de werking van fasciën in het menselijk lichaam is de afgelopen jaren eveneens veranderd. In de huidige fasciënwetenschap worden drie modellen besproken: het biotensegratieve model, het fascintegretieve model en het model van de myofasciale ketens (Bordoni et al. 2019; Bordoni et al. 2018).

Biotensegritief model

Het biotensegritieve model werd aanvankelijk gekenmerkt door de term ‘tensegrity-model’. Tensegrity verwijst naar een mechanisch spannings-evenwicht binnen een constructie en vindt zijn oorsprong in de architectuur (afbeelding 1 en 2). Hieruit ontstond het biotensegritieve model, om het inzicht in het mechanische spannings-evenwicht van een constructie toe te passen op het levende lichaam (afbeelding 3).

Aan de hand van dit model wordt het voortdurende aanpassingsvermogen van het lichaam met al zijn structuren verklaard, zonder dat dit ten koste gaat van hun vorm en functie. In deze mechanische modellen wordt echter geen rekening gehouden met de lichaamsvloeistoffen, die eveneens bijdragen aan de mechanische spanning en daardoor de vorm en functie van het lichaam bepalen.

Tensegrity-model

1) Tensegrity-model: een structuur die wordt gestabiliseerd door het evenwicht van de constante spanning van de kabels en daardoor de ononderbroken compressie op de steunpunten. Afbeelding uit (Bordoni et al. 2018)

Biotensegrity-model wervelkolom

2) Tensegrity-model van de wervelkolom: De wervelkolom wordt onder andere gestabiliseerd door de spanning van de banden en pezen. Afbeelding uit: (Bordoni et al. 2018)

Biotensegrity-model van het menselijk lichaam

(3) Biotensegrity-model van het fascia-continuüm in het menselijk lichaam. Deze afbeelding toont een zittende man in perfecte balans. Het weerspiegelt het Tensegrity-model. Afbeelding uit: (Bordoni et al. 2018)

Fascintegratief model

Daarom is het fascintegratieve model ontwikkeld. Naast de vaste bestanddelen van het bindweefsel, waarmee in het biotensegritieve model rekening wordt gehouden, omvat dit model ook de lichaamsvloeistoffen. Hiertoe behoren bloed en lymfe, maar ook vloeistoffen binnen en buiten de cellen. Dit weerspiegelt beter de huidige stand van de kennis over het fasciale continuüm.

Toch ontbreken in dit model onder andere de emotionele aspecten en pijn, die het lichaam en het fasciële systeem eveneens sterk kunnen beïnvloeden. Daarom zullen er in de toekomst ongetwijfeld nog meer verklaringsmodellen uit het onderzoek voortkomen.

Myofasciale ketens

Myofasciale ketens worden beschreven als banen van spieren en fascia die zich door het hele lichaam trekken en spanningen van het ene lichaamsdeel naar andere, nabijgelegen of verder weg gelegen delen kunnen overbrengen.

Hoewel studies hebben aangetoond dat spieren met elkaar in verbinding staan en dat er krachtoverdracht tussen hen plaatsvindt, is het bestaan van de vaak beschreven myofasciale ketens slechts gedeeltelijk wetenschappelijk aangetoond. Met name is hun functionele relevantie nog niet volledig begrepen.

Er zijn echter aanwijzingen dat verstoringen in myofasciale verbindingen kunnen bijdragen aan het ontstaan van musculoskeletale klachten en dat de behandeling daarvan dit kan tegengaan (Ajimsha et al. 2020; Wilke en Krause 2019; Krause et al. 2016; Wilke et al. 2016).

Alle beschreven modellen stellen het menselijk lichaam voor als een fasciaal continuüm. Ze worden gebruikt om dit te verklaren. Tot op heden kunnen ze echter alleen als theoretische modellen worden beschouwd, aangezien ervaringen en wetenschappelijk bewijs bij levende mensen in veel opzichten ontbreken. Er is verder onderzoek naar het fasciesysteem nodig om de complexiteit ervan en de bijbehorende werking volledig te begrijpen (Bordoni et al. 2019).

04. Fascia in verband met (rug)pijn

Fascia kunnen verantwoordelijk zijn voor pijn. Dit is bijvoorbeeld aangetoond bij de grote fascia in het ruggebied (Fascia Thoracolumbalis). Deze bevat veel nociceptieve vrije zenuwuiteinden die door microbeschadigingen of een ontsteking kunnen worden geprikkeld, waardoor vervolgens in de hersenen een pijnbeleving kan ontstaan (Wilke et al. 2017).

Deze bevindingen kunnen op hun beurt worden toegepast op pijn bij spierpijn of een spiervezel scheur. Bij spierpijn ontstaan er kleine scheurtjes in de spierfascia (Gibson et al. 2009) en een spiervezel scheur is doorgaans een myofasciale of myotendineuze laesie (Wilke et al. 2019).

De genoemde zenuwuiteinden kunnen echter ook worden geprikkeld door een pathologisch veranderde fascia. Een dergelijke fascia is vaak dikker en vertoont een verhoogde stijfheid en verminderde glijbaarheid. De oorzaak hiervan is fibrose en verkleving binnen de fasciale lagen, wat kan ontstaan door een blijvend veranderde lichaamshouding en onfysiologische bewegingspatronen (Langevin et al. 2009; Klingler et al. 2014; Pavan et al. 2014).

Dit is onlangs aangetoond bij proefpersonen met niet-specifieke rugpijn (Almeida et al. 2020). De bij hen veranderde grote rugfascia leidde ook tot een beperking van de beweeglijkheid van de wervelkolom, zoals bij veel mensen met rugklachten te zien is. Vooral de buiging en rotatie werden hierdoor beïnvloed.

Wat kan hier verlichting bieden?

Fasciatraining, zoals inmiddels uit meerdere studies blijkt. De meest gepubliceerde studies gaan over het gebruik van de fascia-roller, met de volgende uitkomst: foam rolling verandert de vloeibaarheid van de vloeistof in de fascia, verbetert de doorbloeding en de wateropname van de fascia. Dit verandert de stijfheid en het glijvermogen van de fascia.

Bovendien leidt training met de fascia-roller tot minder pijn en een verbeterde beweeglijkheid. Hoewel de redenen hiervoor nog niet volledig zijn opgehelderd, is het waarschijnlijk dat foam rolling leidt tot de activering van mechanoreceptoren in de huid en in de fascia, die een centraal pijnremmend mechanisme activeren en de activiteit van het sympathische en parasympathische zenuwstelsel (autonoom zenuwstelsel) reguleren, en via een reflexreactie de myofasciale spanning beïnvloeden.

De veelgehoorde aanname dat bij de therapie met foam rolling voornamelijk verklevingen in de fascia worden losgemaakt, is tot op heden echter niet bewezen (Guzmán-Pavón et al. 2020; Rodríguez-Fuentes et al. 2020; Behm en Wilke 2019; Wilke et al. 2018).

05. Conclusie fasciënonderzoek

Hoewel er de afgelopen jaren dankzij het fascieonderzoek,onder andere door dr. Robert Schleip, werkzaam aan de Universiteit van Ulm, veel bekend isgeworden over de fasciën, is er minstens evenveel of zelfs nog meer onbekend. De huidige kennis kan echter steeds beter met elkaar in verband worden gebracht, waardoor het inzicht in fasciën en het effect van fasciatraining voortdurend toeneemt. Het zou spannend zijn om een blik in de glazen bol te kunnen werpen. Het wetenschappelijk onderzoek naar fasciën zal zeker worden voortgezet.

Ook interessant